Historie

Brouwerijen in Oirschot vanaf 1659.
Oirschot had van ouds vele brouwerijen. Dit waren meestal huisbrouwerijen, waar men bier brouwde voor eigen consumptie of om te schenken in de eigen herberg. Er werd daarom niet doorlopend gebrouwen maar naar behoefte. De combinatie van herberg en brouwerij was voor Oirschot eerder regel dan afzonderlijke exploitatie, zoals dat in grotere steden, vooral rijke handelssteden, gebruikelijk was als begin van specialisatie. In de generaliteitsperiode probeerde Den Haag deze hollandse scheiding van brouwerij en herberg af te dwingen. Zo werd in 1718 nog het verzoek van de Oirschotse regenten, om het beroep van brouwer en tapper te mogen combineren, afgewezen. In feite heeft de combinatie in Oirschot echter altijd bestaan, zelfs tot in het begin van deze eeuw. In 1659 moesten nog enige brouwers en tappers gemaand worden, om de eed te komen afleggen, dat zij de verschuldigde belasting zouden afdragen. Vermoedelijk hadden de grotere, meer professionele, reeds eerder aan deze verplichting voldaan. Uit het proces verbaal van deze eedsaflegging in 1659 blijkt, dat er nog 8 brouwers de eed aflegden, onder wie meerdere die maar af en toe brouwden. Zo verklaarde onder andere Jan van Elmpt en ook Daniël Aerts van Croonenborch, 'soo wanneer hy brouwt oft tapt, dat hy sal de placcaten voldoen ende achtervolgen'. Omstreeks 1900 telde Oirshot nog 4 brouwerijen, waaronder de Zwaan,die tevens herberg was.Wij richten aandacht op de enige thans nog in Oirschot functionerende brouwerij.

Brouwerij de Kroon.

In 1659 bestond deze brouwerij nog niet. De grond waarop zij zou worden gebouwd, was in handen van Jan van Elmpt, in 1659 gelegenheidsbrouwer, die daar tegenover woonde. Immers het perceel werd genoemd 'den dries over de straet', waarvan de grootte in het verpondingskohier van 1661 werd opgegeven als 3 ½ lopense ( 58.33 are) en waarvoor 1-19-8 verponding ( 1 gulden, 19 stuiver en 8 penningen ) per jaar betaald moesten worden. Naar onze waarde omgerekend zou dat ongeveer fl. 300 ( € 136.13 ) zijn. In 1672 verkocht Jan van Elmpt uit dit perceel 'een vierde in den dries over de straet', aan Arnold Fey, dat geregistreerd werd als groot 44 roeien ( 14.52 are )en waarvoor 0-10-0 verponding betaald moest worden. Jan van Elmpt hield over 'drie vierde van den dries over de straet'groot 2129 r (42,90 are ), te betalen versponding 1-9-8. Zoals u kunt narekenen is de oppervlakte van de twee delen niet exact gelijk aan het geheel, maar de twee bedragen te betalen verponding wel. Het verkochte stuk hoort van die tijd af bij het Hof van Solms.

In 1675 nam Jan Aerts van Croonenborch het restant over van zijn schoonvader, Jan van Elmpt, en bouwde daar een huisje, waardoor de waarde van het perceel toenam, zodat hij voortaan 0-6-0 extra verponding moest betalen Dus tesamen 1-15-8. Hij was een broer van Daniel Aerts van Croonenborch, die in 1659 een van de gelegenheidsbrouwers was, en zal met zijn schoonvader diens brouwerij geéxploiteerd hebben, die hij vier jaar later met het woonhuis kon overnemen, zodat hij het huisje met 'drie vierde in den dries over de straet' verkocht aan Adriaan van Riethoven. Deze was handelaar in wijnen en blijkbaar goed bij kas, want hij bouwde het nog bestaande woonhuis met zakenruimte, dat in 1682 gereed was en waarvoor in verponding 'vermits de vernieuwinge en verbeteringe van 't groot dobbel pannenhuys ' nog eens 3-10-0 extra moest betalen: in totaal dus 5-5-8. De waarde van 't groot dobbel pannenhuys' zal dus wel 12 maal zo hoog zijn geweest als die van het oorspronkelijk door Jan Aerts van Croonenborch gebouwde huisje.Of daarvan nog iets terug te vinden is in het nog bestaande pand, zou een diepgaand bouwhistorisch onderzoek vergen. In 1695 kocht Adriaan van Riethoven van Mayken weduwe van Dielis Bastiaan Copal '3 roeien van den akker op 't pertskerkhof '(1 are ) bij, waarvoor hij 1 stuiver extra verponding moest betalen. Dit zal aan de achterzijde van het perceel geweest zijn, om daar de grens recht te trekken. In 1698 verkocht hij aan Johan van Wamel, erfgenaam van Arnold Fey en eigenaar van het hof van Solms, 1 lopen in den hof, waardoor zijn verponding met 14 stuiver verminderd werd. Ook dit stuk hoorde van die tijd af tot het Hof van Solms. In de laatste levensjaren van secretaris Peter van Andel, die in januari 1700 op hoge leeftijd stierf, heeft deze het verpondingskohier niet goed bijgehouden. Wanneer zijn opvolger in 1700 het nieuwe kohier inricht, staat het perceel als' huys en aangelag ' groot 1132 r met een te betalen verponding van 4-12-8 op naam van Gerit van Heumen.Deze zal het dus in 1699 van Adriaan van Riethoven gekocht hebben. Sinds die tijd is het altijd in de familie gebleven, maar tweemaal via de vrouwelijke lijn. De zakenruimte van het monumentale pand zal aanvankelijk groot genoeg geweest zijn voor het exploiteren van een professionele brouwerij. Immers de eigenaren staan allen als brouwer te boek, terwijl er voor 1810 geen spoor te vinden is van uitbreiding van de gebouwen. In 1740 ging het perceel als 'huys en aangelag ' groot 1132 r, te betalen verponding 4-12-8, over op zijn schoonzoon, Paulus Gerritszoon van Cuyck, gehuwd met Ida van Heumen.Hun zoon Gerardus volgde in 1759 op Diens dochter Barbara was reeds in 1730 getrouwd met Cornelis Dieliszoon de Croon, die in 1777 het bedrijf op zijn naam kreeg en het in 1785 bij testament naliet aan zijn zoon Jan. In al die jaren is de omschrijving, oppervlakte en verponding van het perceel niet veranderd. Deze Jan Cormelis Dieliszoon de Croon was in 1771 gehuwd met Maria Corthout uit Valkenswaard ( in plaats van met een C schrijft men de namen sindsdien met een K ) en kocht nog in 1785 van Carolus Claeszoon Huyskens het westelijk gelegen bedrijfsterrein bij, genaamd 'Prullenbraken bij het huis ' 2 l en in de verponding betalend 1-7-8. Het gehele perceel werd daardoor 3 l 32 r ( 60.56 are ) groot en de te betalen verponding werd 6-0-0

Jan stierf reeds in 1792 en zijn weduwe had de leiding van het bedrijf, tot zij deze kon overdragen aan hun zoon Gerard geboren in 1783. Van Gerard ging het bedrijf over op zijn zoon Jan Laurens, geboren in 1834 en gehuwd met adriana van de Wal. Zij kregen tien kinderen, van wie enkele jong stieven. De brouwerij ging over op hun zoon Gerardus Johannes, geboren in 1876 en gehuwd met Maria Magdalena Nuyens. Tijdens de eerste wereldoorlog wist Gerard de Kroon zijn in Oirschot enig overgebleven concurrent over te nemen. Op 18 januari 1916 sloot hij een overeenkomst met Anthonie Somers, eigenaar en exploitant van Hotel-café-restaurant-brouwerij de Zwaan, waarbij Somers beloofde ten behoeve van Gerard de Kroon per 1 maart 1916:
1. zijn brouwerij stop te zetten en
2. niet te herbeginnen, verkopen, verhuren of op andere wijze van de hand te doen,
3. geen argenturen in bieren te exploiteren en
4. zijn bierafnemers aan de Kroon af te staan.
Daartegenover zegde de Kroon aan Somers toe om hem vanaf die datum gedurende vijf jaar per maand fl. 12,50 uit te betalen, betaalbaar per half jaar met fl. 75,-. Deze betaling zou echter vervallen bij overlijden van Somers en wanneer zich een andere brouwer in Oirschot zou vestigen. Nu stierf Anthonie Somers reeds in februari 1916, zodat de Kroon een uiterst voordelige overname gerealiseerd had. Van de kinderen van Gerard de Kroon kwamen twee jongere zonen elders in het brouwerijbedrijf terecht en namen twee oudere, Louis en Ad, het Oirschotse bedrijf over. Door het huwelijk van Ad kwam tevens brouwerij de Doornboom in Middelbeers bij het Oirschotse bedrijf. Boerderij en mouterij, die aanvankelijk naast de brouwerij werden geëxploiteerd, weden beëindigd, om ruimte te geven aan een meer professionele uitoefening van het brouwen. De leiding werd verdeeld tussen Louis als technisch en Ad als commerciëel directeur. In Middelbeers werd de bottelarij en de limonadefabriek ondergebracht, terwijl het brouwen en afvullen der vaten in Oirschot bleef. In de jaren zeventig droegen Louis en Ad de leiding in dezefde kwaliteiten over aan hun zonen Gerard en Mathieu.

Deze tekst komt uit een folder, die is samengesteld in opdracht van het comité open monumentendag Oirschot door drs. J.P.J. Lijten en is uitgegeven door de stichting Gerard Goossens fonds met financiële steun van de gemeente Oirschot. De tekst is gebaseerd op onderzoek in het oud administratief, rechtelijk en notariëel archief Oirschot, waarbij dankbaar gebruik is gemaakt van de analyses van het notariëel archief door Nico van Cuyck